jun 08

Waar gaat het om in het christelijk geloof? – Deel 6

  1. Beeldend gezegd

Geloof uit zich in woorden en verhalen. In een langer verleden was een punt van discussie of die woorden en verhalen zelf het geloof representeerden. De taal van de Bijbel was in die voorstelling een soort heilige taal. Een woord in de Bijbel moest niet slechts uit de context van het verhaal worden verstaan, maar kon in zichzelf een diepe theologische betekenis hebben. Voor velen buiten de kerk lijkt dit een middeleeuwse discussie. Dat is het ook. Maar tradities zijn soms taai. Onder gebruikers van de Statenvertaling en in kringen waaruit de Naardense Vertaling is voortgekomen, kent deze taalfilosofie nog wel enkele aanhangers. Hier ga ik ervan uit dat geloofstaal een onderdeel is van een communicatief proces. Er bestaat voor mij niet zoiets als een heilige taal. Woorden en verhalen ontlenen hun betekenis aan de context waarin ze worden gebruikt. Ik sluit hier aan bij het vertaalprincipe van de Nieuwe Bijbelvertaling.

Om het allemaal niet te abstract te maken, werk ik hier een voorbeeld uit. Jezus Christus is in de christelijke traditie de Zoon van God. Zoals bekend, moet Jezus begrepen worden tegen de achtergrond van het Oude Testament. In het Oude Testament kon een koning een zoon van God genoemd worden (vgl. Ps. 2:7). Maar ook al kon een koning zoon van God genoemd worden, hij bleef in de Joodse traditie een gewoon mens. De titel zoon van God zei dus niets over afkomst, bovenmenselijke capaciteiten of een koning toekomende verering. De titel zoon van God wilde in deze traditie niet meer zeggen dan dat God op een bijzondere manier over deze koning waakte. De titel zoon van God toont met andere woorden de hechte relatie tussen God en de koning. Het woord ’zoon’ moet hier dus zeker niet letterlijk worden ingevuld. Het is slechts een beeld voor een hechte relatie.

In het Nieuwe Testament wordt Jezus Zoon van God genoemd. Heel opmerkelijk is dit eigenlijk niet. De titel zoon van God is immers een variant op de titel koning van Israël. Maar als de verbinding tussen de titel zoon van God en Jezus eenmaal gemaakt is, begint de betekenis te kantelen. Om de een of andere reden beginnen volgelingen van Jezus meer in deze titel te horen dan de oudtestamentische betekenis. De titel wordt verder ingekleurd vanuit het woord zoon.

In de Grieks-romeinse tijd kende men twee betekenissen voor zoon. De eerste was de biologische betekenis van zoon. Een zoon was door een vader bij een vrouw verwekt. De tweede was de zoon die zoon geworden was door adoptie. Ook volwassenen konden trouwens als Zoon geadopteerd worden. Zo kon een geadopteerde zoon erven of erfopvolger worden. De nieuwtestamentische schrijvers beginnen deze twee betekenissen van zoon voor Jezus als Zoon van God te gebruiken.

Voor de duidelijkheid wijs ik er hier op dat het Nieuwe Testament in zijn reflectie over Jezus geen eenheid vormt. Het Nieuwe Testament bevat een aantal visies op Jezus uit de tweede helft van de eerste eeuw, dus van enkele decennia na Jezus’ dood. Zo kunnen de evangeliën niet zondermeer als geschiedenis gelezen worden. Zij laten vooral zien hoe in hun omgeving de herinnering aan Jezus levend wordt gehouden. Daarbij interpreteren zij het verleden binnen nieuwe kaders. Ik kom daar later op terug.

Ik keer terug naar de interpretatie van Jezus als de Zoon van God. In het oudste evangelie, dat van Marcus, lijkt Jezus Zoon van God te zijn geworden door adoptie. Zo lezen we bij de doop van Jezus (Marcus 1:9-11): ‘In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen. Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’’ Hier wordt de mens Jezus voor Hij Gods boodschap gaat verkondigen tot Zoon van God aangewezen. Marcus kent niet zoiets als een maagdelijke geboorte.

Twee andere evangeliën, die van Matteüs en Lucas, plaatsen het Zoonschap van Jezus binnen biologische kaders. Zo zegt de engel in Lucas tegen Maria (1:35): ‘‘De heilige Geest zal over je komen en de kracht van de Allerhoogste zal je als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind dat geboren wordt, heilig worden genoemd en Zoon van God. …. .’’ Hier wordt God dus de biologische Vader van Jezus.

In het evangelie naar Johannes komen we weer een andere visie op het Zoonschap van Jezus tegen. In dit evangelie is de Zoon van eeuwigheid. De Zoon van God is dat niet door geboorte, maar doordat Hij altijd al bij God was. Eigenlijk is de Zoon bij Johannes helemaal beeldspraak, want de Zoon heeft helemaal geen begin. Voor de Zoon heeft Johannes het oudtestamentische beeld van de wijsheid die eeuwig bij God was overgedragen op de Zoon. Deze eeuwige Zoon van God lijkt zich met de doop van Jezus met Jezus verbonden te hebben. Zo zegt Johannes de doper met een beroep op een aan hem gedane openbaring (Johannes 1:33-34): ‘“Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” En dat heb ik gezien, en ik getuig dat hij de Zoon van God is.’’ Jezus is niet door zijn geboorte Zoon van God, maar heeft zich op spirituele wijze met de Zoon van God verenigd. Deze wat lastig te vatten gedachte komen we ook tegen in een tekst als: ‘Wanneer de messias komt, zal niemand weten waar hij vandaan komt, maar van hem weten we wel waar hij vandaan komt.’ (Johannes 7:27). Het evangelie naar Johannes zou je een bijzondere variant van de adoptie gedachte kunnen noemen.

Toch staat Johannes hier in het Nieuwe Testament niet geheel alleen. Ook bij de apostel Paulus komen we een vergelijkbare gedachte tegen. Zo lezen we in Filippenzen 2:6-8: ‘Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.’ De Zoon is eeuwig maar verschijnt als sterfelijk mens in de tijd.

Ik begon hierboven met de stelling dat het geloof zich in woorden en verhalen uit. Zoals het voorbeeld van het Zoonschap van Jezus duidelijk maakt, is die taal vaak beeldend. Voor de innige relatie tussen God en Jezus te omschrijven, wordt voor Jezus het beeld van de Zoon gebruikt. Oorspronkelijk had dit helemaal geen genetische connotaties. Op enig moment wordt het belangrijk dat Jezus als de Zoon van God Gods gevolmachtigde is. Je zou dit het uiterste oprekken van oudtestamentisch gedachtengoed kunnen noemen. Nog steeds vroeg dit niet om een door God op een bijzondere manier bewerkte conceptie. Maar Matteüs en Lucas laten zien dat eenmaal gemaakte beelden nieuwe beelden gaan oproepen. Zo ontstaat een keten van een maagdelijke geboorte tot een onbevlekte ontvangenis van Maria zoals de katholieke kerk dit in de twintigste eeuw heeft vastgesteld. Met de onbevlekte ontvangenis van Maria wordt bedoeld dat Maria niet deelde in de erfzonde.

Het bijzondere van geloofstaal is dat het die beelden soms onbekommerd kan gebruiken, soms ze weer probeert te reduceren tot hun kern, soms nieuwe beelden daaraan toevoegt en soms ook weer afstand van beelden kan doen. Feministische theologen hebben zich terecht afgevraagd of de overgeleverde beeldspraak niet al te mannelijk is. In die speelsheid wil ik met de beeldende geloofstaal omgaan. Zijn de overgeleverde beelden voor ons nog adequaat? Hebben we in het verleden bepaalde geloofsbeelden niet te eenzijdig geïnterpreteerd? Hebben we het beeldend karakter van de geloofstaal vaak niet teveel uit het oog verloren?                         
Wim de Ruyter