jan 05

Waar gaat het om in het christelijk geloof? (Deel 1)

Het lijkt mij leuk om de komende tijd een aantal aspecten van de christelijke geloofsleer te belichten. Hier het eerste deel.

Wim de Ruyter

  1. Herkenning

Wat heb ik te vertellen?  De verteller van een verhaal begint nooit in een leegte. Verwijzingen naar een herkenbare leefwereld zijn noodzakelijk om een verhaal op te bouwen. Een nieuw verhaal sluit daarom altijd op een of andere manier aan bij een of meer oudere verhalen. Boeken uit het genre Fantasy laten dit eigenlijk mooi zien. Koningen, trollen en tal van andere wezens kunnen in een in een door de auteur gecreëerde setting wel een nieuw verhaal vertellen, maar om tot die setting door te dringen moeten bepaalde pijlers van het verhaal wel herkend kunnen worden. Het maakt daarbij niet uit dat die verwijzingen al vanaf het begin betrekking hebben op een fantasiewereld. Zolang die fantasiewereld maar openingen heeft die het voor mensen buiten het verhaal toe te laten binnen het verhaal.

Herkenning is voor elke vorm van geslaagde communicatie noodzakelijk. Zonder herkenning kunnen de woorden van de een niet door de ander begrepen worden. Gezamenlijke ervaringen vergroten zo de mogelijkheid van herkenning. Het verdriet van een moeder om het verlies van haar zoon kan door een moeder uit een andere cultuur met een andere taal herkend worden. Naast gedeelde of identieke ervaringen spelen verhalen een belangrijke rol. Een gedeeld verhaal schept een gezamenlijke context. De dood van een zoon kan in een dergelijk gedeeld verhaal zelfs een betekenis krijgen. In nationalistische propaganda wordt de dood van de jonge soldaat een offer voor het vaderland. In religieuze verhalen wordt een dood soms verbonden met straf of juist met het tegendeel bevrijding.

Verhalen kunnen heel alledaags zijn. Nieuwsberichten dragen in een moderne samenleving bij aan een soort canon van gedeelde verhalen. Zij stellen hun afnemers in staat verontwaardiging, instemming en tal van andere emoties te delen. Het nadeel van nieuws als deel van de canon van gedeelde verhalen is dat het heel vluchtig is. Wie oudejaarsconferences van tien jaar gelden ziet heeft soms moeite om de humor van toen te begrijpen.

De laatste decennia duikt met regelmaat een discussie op over een soort historische canon. De bedoeling van die canon is duidelijk een gedeeld referentiekader. Een canon van historische gebeurtenissen moet dus helpen huidige maatschappelijke discussies te stroomlijnen. Zo kan de discussie over Zwarte Piet verbonden worden met een slavernijverleden. Het is duidelijk dat het bestaan van een gezamenlijk referentiekader belangrijk is voor het succes van een maatschappelijk debat. Wanneer er geen of onvoldoende overeenstemming is over een gezamenlijk referentiekader leidt dit in veel gevallen tot een patstelling. Het recente euthanasiedebat zou hier als een voorbeeld kunnen dienen. In de praktijk blijkt het nauwelijks mogelijk een zo eenmaal vastgelopen discussie los te trekken. Vaak is er dan een crisis nodig om een nieuw gedeeld referentiekader te laten ontstaan.

Eeuwenlang heeft het christelijk geloof in Nederland gediend als een gedeeld referentiekader. Weliswaar vormde dit christendom geen homogene eenheid, maar er bleef genoeg herkenning over. Aan het christendom ontleende waarden kregen zo een plaats in het maatschappelijke debat. Maar niet alleen in afgeleide zin droeg het christendom op deze manier bij tot de onderlinge communicatie. Katholieke en protestantse theologen waren over de geloofsleer ook onderling in debat. De verschillen tussen deze twee hoofdstromingen binnen het Nederlandse christendom bleken eeuwen onoverbrugbaar. Toch werd er op deelgebieden wel degelijk herkenning bereikt. Op het raakvlak van piëtisme en devotie bijvoorbeeld. Zo droeg het christendom op verschillende manieren bij aan een geslaagde communicatie.

In gesprekken met mensen binnen en buiten de kerk valt mij op dat er een behoorlijke groep het christelijk geloof verbindt met normen en waarden. Bij een doop wordt mij dan als predikant verzekerd dat de ouders misschien niet elke zondag in de kerk willen komen maar de christelijke normen en waarden wel willen doorgeven. Ik voel mij vaak wat ongemakkelijk bij deze woorden. Voor mij heeft het geloof vooral met vertrouwen en geborgenheid te maken en minder met morele voorschriften. Toch zit er ook iets aardigs in deze alledaagse visie op geloof. Het maakt het geloof onderdeel van een referentiekader. Geloof is ook communicatie. Het draagt bij aan herkenning.

In veel discussies tussen gelovigen en ongelovigen over de christelijke traditie speelt waarheid een belangrijke rol. Nu is waarheid een lastig begrip dat ik in het vervolg zeker nog nader moet uitwerken. Maar hier bedoel ik de met de moderne wetenschap gegeven twijfels aan het bestaan van God, de mogelijkheid van bovennatuurlijke ingrepen in de geschiedenis en de historische betrouwbaarheid van de in de Bijbel overgeleverde verhalen. Gelovigen zijn hier vaak aandoenlijk naïef en ongelovigen onredelijk scherp. In ieder geval leidt het meer dan eens tot een patstelling. Hoewel de vragen die hier spelen binnen onze cultuur niet geheel te vermijden zijn en ik er in het vervolg, zoals gezegd, zeker nog op terug zal komen, wil ik beginnen om het christelijk geloof te plaatsen binnen het kader van communicatie. Hier wordt menselijk verlangen, hoop, vertwijfeling, onzekerheid, schuld en het verlangen naar genade bespreekbaar gemaakt. Daarmee wil ik zeggen dat de waarde en zo u wilt de waarheid van het christelijk geloof ligt in de herkenning. Het christelijk geloof gaat over mij. Dit geloof geeft mij een plaats in deze wereld. En in het gezamenlijk belijden van het geloof voel ik mij verbonden met mensen om mij heen met wie ik anders nooit over deze gevoelens zou praten. In die zin laat het geloof mij boven mijzelf uitstijgen. Ik herken en wordt herkend.