dec 31

Preek van de Week – Oudejaarsavond

Gemeente van onze Heer,

Aan het einde van het jaar zijn wij geneigd om terug te kijken. Zoals elk jaar komen er weer jaaroverzichten langs. Vanaf deze plaats ga ik daar niet nog één aan toevoegen. Maar ik heb wel een beeld gekregen dat we elkaar als samenleving aan het verliezen zijn. Discussies over het nut van vaccinaties tegen Corona liepen soms hoog op. In sommige families is daar serieuze onenigheid door ontstaan. Maar ook los van de hele Covid discussie, is er een cultuur ontstaan waarin het eigen gelijk belangrijker lijkt te zijn dan het leven met elkaar. Die cultuur van het eigen gelijk is ook niet beperkt gebleven tot een aantal wappies of de aanhang van een splinter als Forum voor Democratie. We hadden de langste kabinetsformatie uit de Nederlandse geschiedenis. Ik kon daar toch niet anders van maken dan dat ook de zogenaamde redelijke middenpartijen meer bezig waren met het eigen gelijk dan met het algemeen belang. En als kerken hoeven we niet heel triomfantelijk rond te kijken. Er waren toch grote groepen christenen die de eigen superioriteit lieten prevaleren boven solidariteit met de samenleving. Ook in SGP-kringen was veel hypocrisie. Christenen die altijd hadden beweerd dat kerkgang niet zaligmakend was maar dat er een wonder van God in een individueel leven moest gebeuren, achten de kerkgang nu onopgeefbaar. Iedereen heeft een mening en die mening is vooral dat wat ieder het beste uitkomt. Als ik maar vooraan sta, lijkt de enige verbindende gedachte te zijn. Zolang mijn rechten maar niet geschonden worden, kan de rest het wat mij betreft bekijken.

Bij de voorbereiding van deze dienst lieten we ons als werkgroep niet direct door deze gedachten leiden. We kozen voor Psalm 121 als Schriftlezing vooral vanuit het slot van deze Psalm: ‘de HEER houdt de wacht / over je gaan en je komen / van nu tot in eeuwigheid.‘ Het zijn woorden die getuigen van vertrouwen. Wat er ook gebeurt, ik sta er niet alleen voor. En de trouw van God blijft niet beperkt tot dit moment. Die trouw strekt zich uit tot een niet eindigende toekomst. Alleen al vanuit die gedachte leek het ons mooi om deze Psalm op een dag als deze te lezen.

Maar als we die Psalm ons zo toe-eigenen, moeten we God wel in ons leven willen toelaten. En met de God van Psalm 121 is iets aan de hand. God is er. Hij is niet afhankelijk van ons, maar wij zijn wel afhankelijk van Hem. Met andere woorden, in deze Psalm is een mens niet zo’n grote bink die alles zelf kan bepalen. De dichter of de mens die dit lied leest of zingt, komt in een wereld waar het eigen gelijk eigenlijk geen rol speelt. Alleen daar waar God veiligheid geeft, is de mens geborgen. Het bestaan van de wereld, hangt niet van mij of mijn gelijk af, maar van God die ons dit geeft. De hele werkelijkheid waarin wij leven is een ons door God geschonken werkelijkheid.

De wereld van Psalm 121 is dus de wereld van de Ander met een hoofdletter. Het is de wereld van God. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de hele Psalm over de Ander/ander met een hoofdletter en een kleine letter. Want de Psalm is ons overgeleverd als een bedevaartslied. Met andere woorden, deze Psalm is geen solistisch gebed, maar het is een lied waar mensen elkaar in hun relatie met God herkennen. Maar daarin herkennen ze elkaar ook in hun relatie met elkaar. Ik kan dit zingen omdat jij dit ook zingt, wij vormen met elkaar een koor voor onze God.

Bij de voorbereiding keek ik in de literatuur over wat er tegenwoordig over de oorspronkelijke context van deze Psalm wordt gezegd. Het duizelde mij van de verschillende theorieën. Maar wat al die theorieën gemeenschappelijk hadden, was dat het in Psalm 121 gaat om collectiviteit. Ik ben deel van een groter geheel. De pelgrim reisde nooit alleen. Daar was de wereld van toen te gevaarlijk voor. Maar het doet ook geen recht aan mijn geloof in God. Ik kan God niet voor mijzelf houden. God is er met de mensen om mij heen.

Er is nog iets waar deze Psalm ons mee confronteert. Wij hebben drie geloofsgemeenschappen in Maasland. Vanavond is het dan een oecumenische dienst, maar dat blijft onder ons toch uitzondering. In het oude Israël was één tempel voor de HEER in Jeruzalem. Er viel dus niet zoveel te kiezen. Voor het gemak negeer ik nu even de Samaritaanse heiligdommen. Nu waren er onder de Joden niet minder religieuze meningen als onder ons. In Jezus’ dagen waren er in ieder geval de Sadduceeën en de Farizeeën. Ondanks alle verschillen over de omvang van de Bijbel en het geloof in een leven na de dood, bleven zij allemaal samenkomen in die ene tempel. Alleen een paar mensen uit Qumran gingen hier een andere weg. Vreemd eigenlijk dat in ons kerkelijk leven ons eigen gelijk zo belangrijk is. In die zin zou je Psalm 121 ook het lied van de oecumene kunnen noemen. Wij geloven in één God die groter is dan menselijke spitsvondigheden.

We leven met elkaar. Ik denk dat deze Psalm ons kan helpen de weg naar elkaar weer terug te vinden. Psalm 121 als bedevaartslied.  Wij allen leven van dezelfde genade. Dat zou je kunnen zeggen voor de oecumene, maar ook voor de samenleving als geheel. Het zoeken naar verbinding is een grotere uitdaging dan het schreeuwen van mijn eigen mening. Maar met dat ik dat zeg, komt natuurlijk ook bij mij de vraag: in hoeverre sta ik open voor de mening van een ander? Ik denk dat we met elkaar moeten leren dat we niet meer nodig hebben en ons door God gegeven is. Hier zou het woord van Paulus uit 1 Korintiërs (2:2) ons misschien een weg kunnen wijzen: ‘Ik had besloten u geen andere kennis te brengen dan die over Jezus Christus – de gekruisigde.’ In het kruis van Christus zien we ten volle: ‘Je hebt genoeg aan mijn genade, want mijn kracht openbaart zich juist ten volle wanneer iemand zwak is.’ (2 Korintiërs 12:9).

Ik wens u een goed uiteinde

Amen.